23 December 2011
In een eerder bericht toonden we aan dat de stijging in de Vlaamse werkzaamheid tijdens de voorbije decennia haast uitsluitend te danken is aan de toenemende arbeidsdeelname van vrouwen. Terwijl mannen bleven trappelen op een – toegegeven – hoog niveau, begonnen de Vlaamse dames in de jaren 80 aan een bijna onafgebroken klim. In deze flits staan we stil bij deze opmerkelijke inhaalrace en blikken we vooruit naar 2020.
Kloof voor twee derde dichtgelopen
Figuur 1 geeft de slinkende werkzaamheidskloof weer tussen Vlaamse mannen en vrouwen. Bleef de mannelijke werkzaamheidsgraad tussen 1990 en 2010 nagenoeg status quo, de arbeidsdeelname van vrouwen steeg met bijna de helft (+46,7%), van 45,5% in 1990 tot 66,7% in 2010. De stijging in aantal werkenden (de teller van de werkzaamheidsgraad) is zelfs nog spectaculairder (+57,2%). De Vlaamse arbeidsmarkt mocht tussen 1990 en 2010 ruim 450 000 werkende Vlaamse vrouwen extra verwelkomen, ongeveer de bevolking van een stad als Antwerpen. De noemer van de werkzaamheidsgraad, hier de Vlaamse vrouwelijke bevolking tussen 20 en 64 jaar, kende in dezelfde periode eveneens een continue groei, zij het aan een veel gematigder tempo (+7,2%). Uitgedrukt in procentpunten werd de seksekloof in arbeidsdeelname voor twee derde gedicht: in twintig jaar wisten de Vlaamse vrouwen hun achterstand van 32,4 naar 10,7 procentpunten terug te brengen.
Figuur 1. Werkzaamheidsgraad naar geslacht in het Vlaams Gewest, 20-64 jarigen (1990-2010)
Behalve in termen van evoluties in teller en noemer kunnen we de werkzaamheidsgraad ook duiden in het kader van ontwikkelingen op het vlak van beroepsactiviteit en werkloosheid. De seksespecifieke evoluties in activiteitsgraad (het aandeel actieven in de bevolking op arbeidsleeftijd) zijn een spiegelbeeld van figuur 1, met als verschil dat de toename van de vrouwelijke graad hier iets beperkter is (stijging van de activiteitsgraad met 40,6%, tegenover een sprong van 46,7% in werkzaamheidsgraad). Vrouwen gingen dus aan een nog sneller tempo aan het werk dan dat zij op de arbeidsmarkt actief werden. Dit gegeven zien we weerspiegeld in de evolutie van de werkloosheidsgraad (figuur 2).
Figuur 2. Werkloosheidsgraad naar geslacht in het Vlaams Gewest, 20-64 jarigen (1990-2010)
De werkloosheidsgraden van Vlaamse mannen en vrouwen kennen eenzelfde grillig patroon, piekend in of vlak na een crisisjaar en weer dalend eens de conjunctuur verbetert. Relevanter zijn hier de algemene trends over de beschouwde periode: de lijn voor mannen stijgt licht, terwijl de vrouwelijke werkloosheid duidelijk een neerwaarts momentum kent. Het gevolg is dat de werkloosheidskloof de voorbije jaren gedicht werd. In de periode 1990-1992 waren vrouwen nog driemaal vaker werkloos dan mannen (gemiddelde werkloosheid van 8%, tegenover 2,5% bij de mannen). Anno 2010 strandden ze op respectievelijk 4,9% en 5%. De convergentie in werkloosheidscijfers is goeddeels een reflectie van de economische herstructurering in de voorbije decennia: de traditioneel vooral mannelijke industriële werkgelegenheid kreeg rake klappen, terwijl sterk vervrouwelijkte sectoren zoals de gezondheidszorg numeriek aan belang wonnen.
Dichten van de kloof komt dichterbij, maar nog niet voor morgen
Werpen we in figuur 3 tot slot een voorzichtige blik op de toekomst. Rekening houdend met de meest recente bevolkingsprognoses en in de veronderstelling dat huidige trends in arbeidsdeelname zich voortzetten, zien we dat de gesimuleerde werkzaamheidsgraden van Vlaamse mannen en vrouwen verder naar elkaar toe groeien. De werkloosheidskloof is al gedicht (zie figuur 2), voor de werkzaamheidskloof is het nog een tijd geduld oefenen (zie figuur 3). Volgens de simulatie zou er ook in 2020 nog een genderkloof(je) resten van 4,4 procentpunten. Een belangrijke kanttekening is dat we het steeds over de kloof in ‘koppen’ hebben. Ruim twee op vijf vrouwen werkt deeltijds (tegenover amper een op twaalf mannen) en dit maakt dat de genderkloof in arbeidsvolume (gepresteerde uren) nog zeer aanzienlijk is.
Uit de simulatie blijkt overigens dat Vlaamse vrouwen in 2020 op 71,5% werkzaamheid zouden stranden, nog een eind verwijderd van de ambitieuze Vlaamse doelstelling van 75%. En dit ondanks het knappe parcours dat zij de voorbije drie decennia hebben afgelegd en de verdere stijging waarop we wellicht nog mogen rekenen. Om de doelstelling te halen en de werkzaamheidskloof verder te dichten zijn bijkomende beleidsinspanningen nodig die de combinatie van werk en gezin vergemakkelijken.
Figuur 3. Reële (1983-2010) en gesimuleerde (2011-2020) werkzaamheidsgraden naar geslacht in het Vlaams Gewest, 20-64 jarigen
De figuren en cijfers in deze flits zijn afkomstig uit de interactieve toepassingen die het Steunpunt WSE zopas aan haar website heeft toegevoegd en geactualiseerd met de nieuwe bevolkingsvooruitzichten van het Federaal Planbureau (19/12/2011). Voortaan kan u zelf historische werkzaamheids-, werkloosheids- en activiteitsgraden berekenen via onze tijdreekstoepassing. U kan ook toekomstige werkzaamheidsgraden simuleren via onze simulatietool. Beide toepassingen zijn voor iedereen toegankelijk op www.steunpuntwse.be (via de rubriek ‘Cijfers’).
Meer informatie over historische evoluties inzake werkzaamheid, simulaties van de toekomstige werkzaamheidsgraden en werkzaamheidsdoelstellingen vindt u in het decembernummer van Over.Werk (2011/4) en het Trendrapport Vlaamse arbeidsmarkt 2011.
Gert Theunissen & Wim Herremans
Steunpunt Werk en Sociale Economie