In deze onderzoekslijn staat het onderzoek naar de netto-effectiviteit en kosteneffectiviteit van activeringsmaatregelen centraal. De netto-effectiviteit van een activeringsmaatregel wordt uitgedrukt in termen van het percentage deelnemers (werklozen) dat werk vindt dankzij de interventie. Via het begrip kosteneffectiviteit wordt nagegaan hoeveel het kost om dit netto-effect te bereiken. De voornaamste onderzoeksvragen op het microniveau zijn:
(1) Wat is de netto-effectiviteit van de diverse maatregelen binnen het Vlaamse activeringsbeleid? Hoe worden die netto-effecten bij voorkeur gemeten en in welke mate zijn de bekomen resultaten gevoelig voor de gebruikte methodologie/schatter? Waarmee moet, bij het uitzetten van een nieuwe maatregel, rekening worden gehouden opdat de effectiviteit van de maatregel nadien optimaal zou kunnen worden gemeten? Wat kan gezegd worden over de langetermijneffecten van deelname aan een maatregel (bv. het effect op de loopbaanontwikkeling)?
(2) In welke mate is er sprake van differentiële effectiviteit, in de zin dat de netto-effectiviteit van een gegeven maatregel varieert naargelang de kenmerken van de deelnemers? Kan worden afgeleid bij welke maatregel (als mix van diverse instrumenten) de diverse door het beleid onderscheiden doelgroepen het meest baat hebben? Welke ontwikkelingen en innovaties zijn er internationaal op het vlak van methodieken en instrumenten binnen het actief arbeidsmarktbeleid in het algemeen, en in de toepassing van die ontwikkelingen en innovaties bij specifieke doelgroepen in het bijzonder?
(3) Kan worden afgeleid welke maatregel (als mix van diverse instrumenten) bij de diverse door het beleid onderscheiden doelgroepen het meest kosteneffectief is? Wat kan gezegd worden over ‘terugverdieneffecten’? Hoe is de verdeling van kosten en baten tussen de Vlaamse en de Belgische overheid? Kunnen, naast arbeidsmarkteffecten ook andere effecten (welzijn, gezondheid, sociale integratie, ...) als potentiële baten beschouwd worden?
De voornaamste onderzoeksvragen vanuit macroperspectief zijn:
(1) Wat kan gezegd worden over de externe validiteit van de gemeten netto-effecten, dat wil zeggen, in hoeverre kan men zeker zijn dat gemeten resultaten bij huidige deelnemers ook zullen gerealiseerd worden bij toekomstige deelnemers?
(2) Wat kan gezegd worden over substitutie- of verdringingseffecten (deelnemers aan de maatregelen verbeteren hun positie mogelijk ten koste van niet-deelnemers) en ‘dead weight’-effecten (na interventie ontstaat een toestand die ook zou tot stand zijn gekomen zonder interventie)?
(3) De bruto-effectiviteit van het actief arbeidsmarktbeleid varieert met de fase van de conjunctuurcyclus. In welke mate geldt dit ook voor de netto-effectiviteit?